|
|
Outplacement: strijdigheden tussen de procedure en de nieuwe C4-formulieren
De informatie is verspreid in alle windrichtingen: de werkgever moet voortaan de werknemer die de leeftijd van vijfenveertig jaar heeft bereikt op de hoogte brengen van zijn recht op een outplacementbegeleiding. De gewijzigde bepaling voorziet:
“De werknemer wiens werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd en die de leeftijd van vijfenveertig jaar heeft bereikt op het moment waarop het ontslag is gegeven, krijgt het recht aangeboden door de werkgever op een outplacementbegeleiding, zoals bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst (...)“ (Wet van 20 juni 2006 houdende wijziging van artikel 13 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, B.S., 25 juli 2006.)
De collectieve arbeidsovereenkomst waarvan sprake is natuurlijk de CAO nr. 82 gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 10 juli 2002 die ertoe strekt uitvoering te geven aan de bepalingen inzake outplacement.
Het feit dat de aanvraagprocedure (CAO nr. 82, art. 7) is totaal onverenigbaar met de nieuwe werkloosheidsbewijzen, gewoonlijk genoemd “C4-formulieren”, werd tot nu toe verzwegen.
Deze aanvraagprocedure die niet gewijzigd is, verloopt als volgt:
- de werknemer die gebruik wenst te maken van het recht op outplacement, brengt de werkgever hiervan schriftelijk op de hoogte uiterlijk twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen;
- de werkgever dient binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van de aanvraag, aan de werknemer schriftelijk een outplacementaanbod over te leggen;
- indien de werkgever binnen de voormelde termijn van twee maanden geen outplacementbegeleiding aan de werknemer heeft aangeboden, moet deze laatste de werkgever binnen een maand na het verstrijken van die termijn schriftelijk in gebreke stellen;
- de werkgever is gehouden binnen een termijn van een maand na het tijdstip van de ingebrekestelling aan de werknemer schriftelijk een outplacementaanbod over te leggen;
- de werknemer beschikt over een termijn van een maand om al dan niet zijn schriftelijke instemming met de aangeboden begeleiding te geven.
In het ergste geval kan deze procedure dus zeven maanden duren.
Tot hier zou men zich zeer goed kunnen voorstellen dat de in artikel 7 van de CAO nr. 82 voorzien procedure op dezelfde wijze toegepast wordt als vroeger behalve dat een eerste stap bij de hierboven vermelde stappen zou komen die uit het recht aangeboden door de werkgever op een outplacementbegeleiding bestaat.
Maar dat is zonder de wijziging van de C4-formulieren te rekenen!
De nieuwe werkloosheidsbewijzen (C4-formulieren) voorzien inderdaad
- enerzijds, dat de werkgever moet vermelden of hij al dan niet een outplacementbegeleiding heeft aangeboden en in voorkomende gevallen het schriftelijk bewijs hiervan toevoegen dat minstens de inhoud van het aanbod bevat;
- anderzijds, dat de werknemer moet verklaren dat hij een outplacementbegeleding aanvaard heeft of in voorkomende gevallen aan zijn werkgever gevraagd heeft en het schriftelijk bewijs hiervan toevoegen.
Artikel 137 van het Koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering voorziet, op straffe van strafsancties, dat
“De werkgever overhandigt uit eigen beweging:
1° een "werkloosheidsbewijs", aan de werknemer wiens arbeidsovereenkomst, niet bedoeld in artikel 79, § 4, een einde heeft genomen, uiterlijk de laatste arbeidsdag”.
Voor zover het aanbod van en de instemming met outplacement op het werkloosheidsbewijs moeten voorkomen, worden de door de CAO nr. 82 voorzien termijnen de facto nietig want als de werkgever de termijnen voorzien voor de afgifte van het C4-formulier wil naleven, wordt hij verplicht om niet alleen het recht op een outplacement aan te bieden aan de werknemer maar ook hem een concreet outplacementaanbod te doen, uiterlijk de laatste arbeidsdag.
Een oplossing zou zijn de werkgever aan te raden om "nee" te antwoorden op "Ik heb outplacementbegeleiding aangeboden aan deze werknemer" en als motief aan te voeren dat de werknemer het nog niet heeft gevraagd... wat hij snel zal doen als hij de werkloosheidsuitkeringen wil genieten! De in artikel 7 van de CAO nr. 82 voorzien procedure zal dan kunnen worden nageleefd. De werkgever moet zichzelf in dit geval het bewijs bezorgen, bijvoorbeeld via de verbrekingsbrief, dat de werknemer wel degelijk van zijn recht op de hoogte werd gebracht om outplacement te vragen.
In ieder geval de manier waarop het nieuwe C4-formulier opgesteld wordt, zaait op zijn minst verwarring.
Artikel 138 van het Koninklijk besluit van 25 november 1991 verklaart dat het beheerscomité van de RVA de inhoud en het model van de stukken bedoeld in de artikelen 133 tot 137 bepaalt. Het beheerscomité bepaalt dus de inhoud van het werkloosheidsbewijs.
Blijft de vraag: is het logisch dat een administratieve akte – de beslissing van het beheerscomité van de RVA – in strijd is met een wettelijke bepaling – artikel 7 van de CAO nr. 82?
Deze vraag moet zeker ontkennend worden beantwoord. Het is spijtig dat de samenhang en de rechtszekerheid eens te meer werden geofferd op het altaar van de haast...
Bovendien maakt dit soort vaagheid nog aanzienlijk ingewikkelder het inzicht in de nieuwe opgestelde maatregelen en zou het er werkgevers en werknemers toe brengen fouten te begaan die hun duur kunnen komen te staan.
Aan de samenhang en de rechtszekerheid, zou er waarschijnlijk een waarde toegevoegd moeten worden, die vaak in ons klein land is vergeten, met name een flinke dosis van pragmatisme!
|